Champion EL Minja's Thsang-Pa on the move!

Erfelijkheid bij honden, Genetics of the Dog

Gedrag: Genetische Component?

Home-Start

Genetica pagina

Gedrag: Genetische Component?

Door Dr Frank Coopman , geneticus en kynoloog

 

Inleiding

 

Particulieren, die een hondje kopen en op korte of langere termijn hiermee problemen krijgen, zijn snel geneigd de fout volledig bij de fokker te leggen. Zij menen dat het probleem een gevolg is van het onoordeelkundig combineren van dieren en het intelen op steeds dezelfde dieren. M.a.w. de eigenaar gaat er van uit dat bepaalde problemen 100% genetisch zijn.

De fokker, in zijn eer gekrenkt, legt de fout volledig bij de eigenaar, die zijn hondje niet de gepaste opvoeding en verzorging geeft. De fokker gaat dus uit van het feit dat alle problemen door de omgeving (o.a. eigenaar) van het dier worden veroorzaakt. Volgens de fokker is het probleem 100% aan milieufactoren te wijten.

Eťn van de problemen is ongewenst gedrag. Volgens de enen ligt de fout bij het onoordeelkundig kruisen van ouderdieren met ongewenst gedrag. Anderen (= de fokkers) leggen de fout bij de nieuwe eigenaar die onvoldoende inzichten heeft in het gedrag van de hond. De nieuwe eigenaar kan zijn hond niet opvoeden zoals het moet.

In deze korte uiteenzetting wordt gepoogd aan te tonen dat beide partijen een rol spelen in ongewenst gedrag. Zij spelen ook beide een rol in het voorkomen van ongewenst gedrag.

Een allereerste vraag die we ons stellen is in hoeverre gedrag genetisch wordt bepaald. In hoeverre wordt het van vader en moeder op hun nakomelingen overgedragen? Is gedrag erfelijk, dan is de tweede vraag op welke manier het over erft? Wordt een nakomeling identiek als zijn vader en of moeder of zijn er gelijkenissen die opvallender zijn dan tussen niet verwante dieren?

Is gedrag erfelijk?

Nicholas (1993) stelt dat genetische invloeden waarschijnlijk zijn als het kenmerk of de afwijking frekwenter voorkomt in een bepaalde familie of families binnen een zelfde ras of indien het kenmerk of de afwijking duidelijk meer voorkomt in het ene ras dan in het andere. Blijkt bij verder onderzoek dat deze onderlinge verschillen ook onder verschillende omstandigheden (ander milieu) voorkomen dan is het meer dan waarschijnlijk dat het kenmerk genetisch gestuurd is.

Stel dat er twee honden zijn die beiden goed verdedigingswerk doen. De nakomelingen uit deze twee honden doen het ook niet slecht. Ze zijn niet zo goed als hun ouders, maar in vergelijking met honden die voortkomen uit mindere ouders presteren ze beter. Uit controle van de omgevingsinvloeden blijkt dat alle honden die hier met elkaar worden vergeleken op dezelfde manier zijn opgevoed door ťťn ervaren africhter. In dit geval zijn de verschillen niet ten gevolge van milieuomstandigheden. Dit versterkt het vermoeden dat de aanleg voor goed verdedigingswerk erfelijk is.

We kunnen voor jachthonden dezelfde benadering voorstellen en zien dat bepaalde dieren beter geschikt zijn voor de jacht dan andere. Hier kan dan gezegd worden dat de aanleg voor de jacht erfelijk is.

Laten we nu de jachthonden opleiden voor verdedigingswerk door de ervaren africhter en de verdedigingshonden opleiden voor de jacht door de ervaren jager. De resultaten van de jacht of verdediging zullen lager zijn dan verwacht kan worden voor de typische rassen. Tussen rassen is dus ook een verschil in aanleg voor bepaalde gedragingen. Dit wijst weer in de richting van erfelijke overdraagbaarheid van gedrag.

Zijn er nog andere argumenten om aan te tonen dat gedrag en gedragsafwijkingen erfelijk zijn?

bulletThe Association of Veterinarians for Animal Rights uit the U.S.A., die een volledige lijst van erfelijke afwijkingen bij honden publiceerde, maakt ook melding van "gedragsafwijkingen " als een erfelijk gebrek. Ze beschrijven o.a. gedragsafwijkingen als agressie en paniekreacties. Deze erfelijke gedragsafwijkingen vinden ze terug bij de Akita, American cocker spaniel, Basset hond, de miniatuur poedel, Chow Chow, Doberman pinscher, English springer spaniel, Duitse Herder, Puli, Rottweiller, Saluki, Skye terrier en poedel.

 

bulletIn de rasstandaard staat steeds vermeld wat de typische gedragingen van een bepaald ras zijn. Zo wordt gespecificeerd wat hun aanleg, aard en sociale aanleg is. Afhankelijk van het ras zijn deze specificaties anders. Mochten deze specificaties niet erfelijk zijn, dan konden ze niet toegeschreven worden aan een ras, maar zouden ze moeten toegeschreven worden aan de toekomstige eigenaar of het toekomstige milieu waarin ze zullen opgroeien. En dit laatste staat niet vermeld. Ook staat vermeld hoe men bepaalde (minder gewenste???) typische karakteristieken binnen bepaalde grenzen kan houden.

Hoe erft gedrag over ?

Vooraleer hier een duidelijk antwoord op te geven, is het nodig een aantal zaken uit te leggen.

We gaan uit van een gen dat het karakter van de hond vastlegt. Van dit gen zijn er twee (of meer) types of allelen. Het ene allel zegt dat de hond een gewenst karakter zal hebben, het andere allel zegt dat de hond een ongewenst karakter heeft. In alle honden komen allelen in paren voor. De onderlinge verhouding van de allelen (dominant, recessief, intermediair) en de hoeveelheid van elk allel maakt dat ofwel het gewenste allel ofwel het ongewenste allel de overhand krijgt. Kunnen we het karakter van de hond in kwestie volledig verklaren aan de hand van zijn "genotype" (=combinatie van zijn twee allelen) dan is het gedrag volledig genetisch bepaald. Ongeacht de opvoeding en het milieu waar de hond opgroeit, zal hij een bepaald karakter vertonen. De nakomelingen zullen dat gedrag vertonen volgens de allelen die zij van hun ouders overerven. Bij elke kruising kunnen we precies uitrekenen hoeveel ongewenste nakomelingen zullen worden geboren.

Deze manier van overerven is een eenvoudige "Monogene overerving" (Mendeliaans).

In sommige gevallen is het karakter toe te schrijven aan meerdere genen met elk hun eigen allelen (twee of meer), waarbij het karakter het gevolg is van een specifiek combinatie van de genen en allelen onderling. Daar deze genen en allelen oneindig kunnen zijn, is ook de combinatie ervan oneindig en zijn er weinig honden met identiek hetzelfde karakter.

We spreken hier van "Polygene overerving". (komt zelden alleen voor; cf. volgende alinea)

Blijkt het karakter een gevolg te zijn van meerdere genen (= polygeen) EN milieu-invloeden dan hebben we te maken met "MultifactoriŽle kenmerken". De kans dat een hond dezelfde genencombinatie heeft en ook nog onder dezelfde omstandigheden zal worden opgevoed is praktisch nihil. Daardoor zal geen enkele hond het identieke gedrag vertonen.

Alle werkeigenschappen die we bij onze honden wensen terug te vinden (apport, verdediging, jacht, etc…) zijn te beschouwen als multifactoriŽle kenmerken.

Na dit overzicht kunnen we dus stellen dat gedrag monogeen, (polygeen en of) multifactoriŽel kan overerven. Het maken van het verschil is zeer belangrijk. De manier waarop ongewenst gedrag kan voorkomen worden is hier sterk van afhankelijk.

Uit de literatuur hebben we een aantal voorbeelden terug gevonden van gedragspatronen die monogeen of multifactoriŽel overerven.

  1. Huntington disease bij de mens. Deze monogene dominante gedragsafwijking kenmerkt zich o.a. door persoonlijkheidsveranderingen waarbij er agressie en angst wordt gezien. De oorzaak op moleculair niveau is gekend zodat er moleculair kan getest worden (zie verder).
  2. Tourette syndrome. Deze ziekte is dominant erfelijk. Het is geen zuiver monogene afwijking, daar er blijkbaar nog andere genen een belangrijke rol spelen en ook omgevingsinvloeden. Mensen met deze ziekte hebben de neiging veel te vloeken (obsceen gedrag) en de woorden van anderen na te zeggen. Ook vertonen ze schizofreen gedrag.
  3. Bij bijen zijn er gedragingen beschreven toe te schrijven aan ťťn enkel gen. Het gedrag om het nest op te ruimen enerszijds en om de honingraten open te breken anderszijds is bewezen genetisch te zijn.
  4. Verschillende auteurs beschrijven bepaalde gedragingen als multifactoriŽel. Zo is nervositeit, angst voor bliksem, werkgedrag, moed, zenuwvastheid en activiteit in mindere tot meerder mate toe te schrijven aan genen en of allelen en milieu. De erfelijkheidsgraden die worden beschreven lijken wel wat hoog (zie besluit).

Preventie van ongewenst gedrag?

De eerste stap is het vastleggen van het overervingspatroon. Erft het ongewenst gedrag monogeen of multifactoriŽel over??

Hiertoe dient eerst een goede diagnose van ongewenst gedrag mogelijk te zijn. De conclusies van een gedragstest kunnen bij elk dier opgeschreven worden. Deze dieren zijn hierbij in stamboomvorm genoteerd zodat hun onderlinge verwantschap duidelijk is. In bepaalde gevallen is het overervingspatroon duidelijk; in andere gevallen is software noodzakelijk om een patroon al dan niet te herkennen.

Blijkt uit de stamboomanalyse dat het ongewenste monogeen overerft, dan kunnen in de stamboom dragers en aangetaste dieren worden geÔdentificeerd. Door de kennis van het genotype van elk dier kan voorspeld worden welke combinaties ongewenste nakomelingen zullen geven. Deze combinaties worden dan best vermeden. Is het ongewenste allel recessief dan is het moeilijk om deze dieren te herkennen. Zij zullen het ongewenste gedrag immers niet vertonen. Door de combinatie van twee dragers zullen wel 25% van de nakomelingen ongewenste eigenschappen vertonen (ongeacht het milieu waarin ze terechtkomen). De ontwikkeling van de moleculaire genetica maakt het mogelijk om dragers op voorhand (=voor de koppeling) te identificeren. Kruising van twee dragers wordt zo vermeden. De ontwikkeling van een moleculaire test nodig om deze dragers te identificeren vraagt veel onderzoek.

Is er geen duidelijk patroon terug te vinden, dan is het vermoeden sterk dat het ongewenste gedrag multifactoriŽel overerft. Een moleculaire test ontwikkelen voor alle genen die hierbij een rol spelen is onbegonnen werk. Preventie via moleculaire testen is dan ook niet de geschikte methode om het probleem te voorkomen. De enige goede manier is aan fokwaardeschatting doen. Bij dit systeem proberen we de dieren te identificeren die meer gunstige genen voor ongewenst gedrag in zich dragen dan andere dieren. Deze identificatie is mogelijk door van alle verwanten van het dier in onderzoek (vb. een veel gebruikte dekreu) de uitslag van de gedragstest te verzamelen.

Via ingewikkelde rekenmodellen waarbij de milieuinvloeden mee worden verwerkt komen we tot getallen. De veel gebruikte dieren rangschikken volgens dit getal heeft een bepaalde volgorde. De reu die boven staat is het dier dat meer gunstige genen bezit voor ongewenst gedrag. Meerdere nakomelingen van hem erven deze genen over en hebben een grotere kans op het ontwikkelen van ongewenst gedrag, ALS het milieu gunstig is voor ongewenst gedrag. Door een vader met een hoog getal te combineren met een moeder met een laag getal daalt de kans dat de nakomelingen ongewenst gedrag zullen vertonen, op voorwaarde dat het milieu het gewenst gedrag bevordert (bv. hondeschool).

Samengevat is de eerste vraag: "Monogeen of MultifactoriŽel??".

Indien "Monogeen", is de vraag of het dominant of recessief overerft? Vervolgens welke dieren dragers of aangetast zijn? Wenst men moleculair te testen, dan is de vraag waar het oorzakelijke gen of allel is van het ongewenste. Kent men de oorzaak dan kan de populatie gescreend worden voor de afwijking en kunnen ongewenste combinaties vermeden worden.

Indien "MultifactoriŽel" is de vraag welke dieren de gunstige genen voor het ongewenste in zich dragen. Via fokwaardeschatting kan dit berekend worden. Aan de hand van de rangschikking kan ook hier het risico verminderd worden. Preventie dient in dit geval ook een goede omgevingsinvloed te benadrukken.

Praktische uitwerking van preventie?

  1. Goede identificatie met vermelding van afstamming (vader en moeder).
  1. Uitvoeren van een gedragstest door geoefende personen met zin voor objectiviteit en een hoge professionele ervaring. De kwaliteit van de gegevensverzameling moet zeer hoogstaand zijn. Verzamelen van een bloedstaal van elk onderzocht individu.
  1. Opmaken van een stamboom met vermelding van specifieke resultaten van de gedragstest.
  1. Voor elk specifiek resultaat het overervingspatroon gaan bepalen.
  1. De monogeen erfelijke karakteristieken benaderen via het boven beschreven patroon. Fokadvies of (beperkt) fokverbod kan ingesteld worden. Bloedstalen van aangetaste en niet aangetaste dieren onderzoeken op verschillen. Ontwikkelen van een moleculaire test (moleculaire genetici).
  1. Berekenen van fokwaardeschattingen (kwantitatieve genetici) voor de multifactoriŽle afwijkingen. Op basis van de bekomen getallen fokadvies of fokverbod opleggen.
  1. Uitschrijven van begeleidende milieuomstandigheden (ethologen) die preventie via fokwaardeschatting moeten begeleiden.

Algemeen besluit

- Gedrag en zijn afwijkingen zijn erfelijk.

- De invloed van de genen kan het gedrag voor 100% verklaren. Hierbij is de invloed van milieu (praktisch) onbestaande.

- Daar waar genen niet voor 100% de oorzaak zijn van het gedrag, speelt het milieu wel een rol. Daar gedrag een zeer complex gebeuren is en daar andere kenmerken met een complexe achtergrond ook lage erfelijkheidsgraden hebben, is het eerder te verwachten dat h≤ maximaal = 0,2. Dit betekent dat 20% van het gedrag door genen wordt veroorzaakt en 80 % door milieufactoren. Door sterk doorgedreven inteelt kan het gedrag zo sterk verankerd worden in een bepaalde lijn dat h≤ een veel hogere waarde krijgt.

- Preventie zal enkel succesvol zijn als er zowel via genetica en of via milieu gewerkt wordt.

- Uitgebreid wetenschappelijk onderzoek kan helpen om de juiste besluiten te nemen.

Samenvatting

Het gedrag van een hond is, op enkele uitzonderingen na, een gedeelde verantwoordelijkheid tussen fokker en eigenaar. Een groot aantal gedragingen zijn erfelijk. De graad van erfelijkheid kan varieren van zeer klein tot 100 percent. Gedragsafwijkingen kunnen te wijten zijn aan ťťn enkel afwijkend allel, zoals bv. Huntington disease bij de mens. Aggressief gedrag lijkt eerder een lage erfelijkheidsgraad te hebben waarbij meerdere genen een rol spelen in combinatie met omgevingsinvloeden.

Wil men ongewenst gedrag voorkomen is het belangrijk om eerst te bepalen welke erfelijke achtergrond elke gedragsafwijking heeft. Dit kan door adekwaat gegevens (gedragstest met ouderschapsgegevens) te verzamelen. De verzamelde gegevens kunnen dan genetisch geŽvalueerd worden. Bij monogene gedragsproblemen komt het er dan op aan via stamboomanalyse aangetaste dieren en dragers te identificeren. Naargelang de prevalentie van het probleem kan dan een aangepast bestrijdingsplan opgezet worden. Bij multifactoriŽle gedragsafwijkingen is het nodig de milieuinvloeden te onderkennen die aan de oorsprong liggen van het afwijkend gedrag Via fokwaardeschattingen kunnen ook die fokdieren opgespoord worden die meer dan andere dieren ongewenst gedrag doorgeven aan hun nakomelingen. Door de milieuomstandigheden te verbeteren en dieren met een hogere kans op afwijkend gedrag onderling niet te kruisen, kan het voorkomen van afwijkend gedrag dan wel niet voorkomen worden, maar toch tot een minimum beperkt worden.

© Dr. F. Coopman ,universiteit van Gent   voor toestemming bevragen via email